Klikspaan, boterspaan… waarom ingrijpen bij een disfunctionerende arts lastig maar erg de moeite waard is!

Klikspaan, boterspaan… waarom ingrijpen bij een disfunctionerende arts lastig maar erg de moeite waard is!

Ik wordt vaak gebeld door artsen die het sterke onderbuik-niet-pluis-gevoel hebben dat er wat loos is met een collega. Ze weten niet wat, maar er zijn allerlei eigenaardigheden die al een tijdje opvallen en die wijzen op aankomende rampspoed. Ze weten niet wat ze er mee aan moeten. Ze zouden het liefst horen dat ze er niets mee hoeven doen of dat het wel meevalt. Maar dat is eigenlijk nooit het geval. Als ik uitleg welke methode ik gebruik om een gesprek aan te gaan over iets wat mis lijkt te gaan, neemt de stress wat toe. En daarna weer af. Want ze merken dat het niet-pluis gevoel er niet voor niets was en ze hebben nu een plan om er eindelijk iets mee te doen. En dat niets doen schade voor anderen, de collega of henzelf gaat opleveren.

 

Je mag niet door mijn straatje gaan Veel artsen die in zo’n situatie komen, balen daar behoorlijk van. Terecht ook. Je moet iets doen, wat een ander niet heeft gedaan over een collega die ook niet doet wat eigenlijk moet gebeuren. Het voelt als bemoeizucht, betuttelen of nog erger: Klikken!

Klikspaan is een scheldwoord voor iemand die doorvertelt wat een ander (heimelijk) heeft gedaan. Zoals een kind andermans stoute bezigheden verklikt aan de schoolmeester om er zelf mee in een goed blaadje te komen.

Bij een arts die zichzelf, de patiënten of collega’s in de problemen brengt door ongewenst gedrag, krijg je meestal geen beloning, bloemen of een schouderklopje.  als je aan de bel trekt. Integendeel. Je weet vaak helemaal niet wat er boven je hoofd hangt. Hieronder vindt je de top 3 van redenen uit een Noord-Amerikaans onderzoek  waarom artsen met een bewezen disfunctionerende collega NIETS deden. Dus niet klikken, niet melden, niet aanspreken. Niks!:

  1. Het is niet mijn verantwoordelijkheid
  2. Mijn melding haalt niets uit
  3. Ik ben bang voor represailles

Als jij het niet doet, wie dan wel? De afgelopen 6 jaar gaf ik voorlichting aan meer dan 5000 artsen over gezondheid, verslaving en psychiatrische stoornissen onder artsen en wat je zelf kunt doen om goed in het zadel te blijven zitten. We weten inmiddels dat artsen relatief gezonde mensen zijn. Alleen op psychisch vlak zijn we kwetsbaarder dan onze patiënten. Niet zozeer omdat we sneller stoornissen oplopen, maar vooral omdat we laat of geen hulp vragen. In de VS leidt dit jaarlijks tot een collegezaal vol artsen die zich suïcideren. Niet omdat ze een onbehandelbare aandoening hebben, maar omdat ze niet in behandeling komen voor een goed te behandelen stoornis of probleem

Daarom is het zo belangrijk dat er hulp van buitenaf komt. Soms is daar een dringende reden of een omstander voor nodig. En daar zit hem het verschil. Al voel je je een klikspaan, voor je collega moet je klaarstaan. Grijp daarom in en zoek naar bewandelbare wegen. Of bekijk deze handreiking om zo’n lastig gesprek aan te gaan! Zet ‘m op en sta klaar voor elkaar:

  1. Voorbereiding: zet de feiten (dus observeerbare zaken) op een rij en oefen met iemand anders of voor de spiegel hoe je hier woorden aangeeft, dat is soms even zoeken. Overweeg of je de collega aan kondigt dat er een gesprek komt en waarover. Of dat je een soort verrassingsaanval pleegt. beide kan voordelen hebben, maar ik kies liever voor openheid. Discussies over het onderwerp kun je uitstellen door te zeggen dat het over de samenwerking gaat of over die ene observeerbare zaak en dat jullie er juist dan dieper op in gaan, niet nu. Plan het gesprek na spreekuur of reguliere werkzaamheden, liefst aan het eind van de dag zodat je een uitloopmogelijkheid hebt. Bespreek welke interventies nodig zijn als de collega in kwestie niet thuis geeft of ontkent wat ga je dan doen en met welke gevolgen?
  2. Altijd samen: voer dit gesprek bij voorkeur met een andere collega of liefst iemand met bestuurlijk gezag. Als het niet gaat zoals je had gehoopt, kan die autoriteit inzetten om op verandering aan te dringen
  3. Spelregels en verantwoordelijkheid: stem af dat je elkaar steeds helemaal laat uitpraten voor er reactie komt en laat hiermee vooraf instemmen door alle aanwezigen; leg uit wie er om welke reden of verantwoordelijkheid bij het gesprek aanwezig zijn
  4. Toon en inhoud: spreek rustig, empathisch en redelijk nuchter. Begin met een monoloog over de feiten. Welles/nietes discussies ga je uit de weg door te zeggen dat het er nu niet om gaat of hetgeen wat door jou of anderen is geobserveerd wel waar is. De feiten staan namelijk vast. Noem wat het concrete gewenste gedrag is, bijvoorbeeld nadat je hebt gezegd dat je een kegel bij je collega rook tijdens de overdracht, dat je wil dat dit nooit meer gebeurt. Vraag wat er aan de hand is. Kies geen partij
  5. Geef ruimte en tijd: kijk hoe de boodschap binnen komt nadat je wat tijd hebt genomen om de ander zijn emoties te laten zien. Het is immers een slechtnieuwsgesprek waarbij de meeste mensen niet onbewogen blijven. Benoem dan vriendelijk en nuchter wat je ziet
  6. Organiseer en maak een plan van aanpak: leg uit wie welke stappen neemt bij de gewenste verandering en welke als er niets verandert, schaal dan op en zorg hierbij dat je de ander altijd 1 stap voor bent (zie stap 1)
  7. Evalueervat samenvertel wat jullie hebben afgesproken, maak een vervolgafspraak of -stap
  8. Documenteer: werk aantekeningen en afspraken uit en mail deze naar alle betrokkenen
  9. en onthoud: slecht nieuws is nooit prettig, maar het kan een groot verschil maken wie en hoe het gebracht wordt!

Laat me weten als je hulp of training hierin nodig hebt!

 

Artikel delen

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site wordt beschermd door reCAPTCHA en GooglePrivacy PolicyenServicevoorwaarden toepassen.